Verzet in Nederland

Wat was het verzet?


Om te voorkomen dat men als jood in een concentratiekamp terecht kwam, doken sommige onder bij niet-joodse gezinnen. Alle gezinnen kregen een aantal voedselbonnen, hoe meer mensen in huis hoe meer bonnen. De onderduikers waren natuulijk niet geregistreerd, dus deze kregen ook geen bonnen. Zonder de bonnen konden zij geen eten halen. De KP (knokploegen) overvielen distributiekantoren om aan extra voedselbonnen te komen, dezij werden verdeeld onder de gezinnen met onderduikers. De KP zorgden er ook voor dat de bevolkingsregisters vernietigd werden en dat politiebureau's werden leeggeroofd om aan wapens te komen. Als de Duitsers erachter kwamen dat je in de KP zat, werd je opgepakt. Om dit te voorkomen had men schuilnamen.
Iedere Nederlander boven de 14 jaar moest een persoonsbewijs (PB) hebben, hiermee konden zij zich legitimeren. .
Op de voorkant van die kaart werden de gegevens van de betrokken inwoner vermeld, op de achterkant die van de eventuele echtgenoot en kinderen. De kaart werd bewaard in het bevolkingsregister van de gemeente waar de inwoner woonde. Verhuisde hij naar een andere gemeente, dan kreeg het bevolkingsregister van die andere gemeente zijn kaart toegezonden. De eerste gemeente hield daar een afschrift van. Persoonskaarten van overledenen, van mensen die het land blijvend verlaten hadden, maar ook van iedereen die geen vaste woonplaats had (de meer dan 25.000 schippers met hun gezinsleden bijv.), werden bewaard in een 'centraal bevolkingsregister' .
De persoonsregistratie was in 1940 dus goed geregeld.
De Duitsers namen dit systeem gewoon over, de joden kregen 2 grote
J's op hun persoonsbewijs.
Doordat steeds meer Nederlanders (met name mannen) onderdoken en steeds meer valse persoonsbewijzijn in omloop kwamen, werd de identificatieplicht ingesteld. De bezijtters zinden op een tegenactie. Zij brachten de onderduikers en de verzijtsorganisaties in een moeilijke positie met de invoering van de Tweede distributiestamkaart en het controlezijgel op het PB. Iedere Nederlander moest in 1944 zijn PB laten controleren, anders werd geen distributiestamkaart uitgereikt. Was het persoonsbewijs in orde, dan werd er naast de foto een nieuwe controlezijgel geplakt. Pas daarna kreeg men de Tweede distributiestamkaart uitgereikt. Zonder het controlezijgel was het PB waardeloos en zonder dezij distributiestamkaart kon men geen bonnen, en dus geen eerste levensbehoeften, meer krijgen. Dankzij een grote inspanning van zowel het verzijt als een groot aantal 'goede' ambtenaren, heeft dezij maatregel gelukkig weinig schade veroorzaakt.
Om de bevoling op de hoogte te houden van vorderingen in de oorlog werden er over het hele land illegale krantjes en pamfletten gedrukt. De normale kranten werden gecontroleerd door de Duitsers. Er mocht niets negatiefs in staan over de Duitsers of de vorderingen van de oorlog., dat zou de bevolking aan kunnen zetten tot verzet. In totaal zijn er in Nederland zo'n 1300 illegale kranten verschenen. Aan het drukken van illegale kranten zat een groot risico verbonden. Een drukpers maakt veel lawaai, dit konden de Duitsers makkelijk horen. Dan zouden de drukkers op heterdaad betrapt worden en daar staat natuurlijk de doodstraf op om andere verzetstrijders af te schrikken. Ook het verspreiden van de krantjes was erg gevaarlijk.
Een voorbeeld van verzet was ook de nationale treinstaking, in de winter van 1944, 1945. De geallieerden verloren de slag om Arnhem van de Duitsers, het zuiden van het land was dus al bevrijd. In het noorden gingen de nationale spoorwegen staken, om het de Duitser extra moeilijk te maken. Zij hadden alleen niet voorzien dat ook de Nederlander nu geen eten en brandstof toevoer meer hadden. De winter van 1944-1945, werd daarom ook wel de hongerwinter genoemd.

 

 

 

Het ontstaan van het verzet in Nederland.


Al vanaf het begin van de bezettingsperiode kwamen de mensen in verzet tegen de Duitsers. Jongenmannen moesten vanwege de "Arbeitseinsatz" ingezet worden in bijvoorbeeld de fabrieken in Duitsland. Daarom doken zij onder in Nederland. De nazi's pakten systematisch de joden op, wijk voor wijk en zetten de joden op transport. Deze transporten eindigden bijna altijd in een concentratiekamp, waar het grootste gedeelte direct bij aankomst vergast werd. Wanneer een Jood nog van enige betekenis voor de nazi's kon zijn, werd zijn leven (tijdelijk) gespaard . Veel joden zijn daarom ondergedoken om zo niet in handen van de Duitsers te vallen.
De hulp aan geallieerde vliegers, ondergedoken joden, vluchtelingen, verzetsstrijders, mannen die weigerden om in Duitsland te gaan werken en andere vervolgden maakte het noodzakelijk om deze mensen naast een onderduikadres ook te helpen aan vervalste papieren en bonnen. Daarom kwam er al gauw behoefte om het verzet te bundelen in landelijke organisaties, zoals de LO (Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers) en de KP (Knokploegen). De KP overviel distributiekantoren, kantoren van de burgerlijke stand en politiebureaus. Ook ontstonden er illegale drukkerijen.

 

Een waargebeurd verhaal


Tijdens de oorlog werden er 's nacht in Den Haag pamfletten gedropt. Jan en zijn vriendje wisten dit. Dus gingen zij 's nachts stiekem op pad om de pamfletten de verzamelen. Nadat zij ieder een paar pamfletten onder hun trui hadden verstopt, gingen zij meteen door naar school. Halverwege de dag stond de politie opeens in de klas, of alle jongens even naar buiten wilden komen. Jan en z'n vriend waren natuurlijk ontzettend bang, want als zij gesnapt zouden worden hadden zij hele grote problemen. En ja hoor de politie ging controleren of de jongens geen pamfletten hadden. Gelukkig vergaten zij te kijken onder de truien van Jan en z'n vriend, dus kwamen zij enkel met de schrik vrij en dachten zij wel 3 keer na voordat zij weer op pad gingen naar pamfletten.

 

Een kleine vorm van verzet


Niet iedereen vervalsde persoonsbewijzen, smokkelde pamfletten of had onderduikers in huis, maar bijna iedereen vond steun aan anderen. Zo deden zij bijvoorbeeld een lucifer met de kop om hoog in het knoopsgat, daarmee wilde zij dan duidelijk maken "kop op" en "Oranje boven". Wie in de tram, trein of bus ging zitten, zei demonstratief "O zo!" wat werd verstaan als "Oranje zal overwinnen." Door deze kleine maar toch heel belangrijke dingen, gaven de mensen de moed niet op. Zij zagen dat de andere mensen ook nog hoop hadden en bleven doorzetten.